Weeswijzer

Het verliezen van een vader en/of moeder is iets vreselijks en zet de wereld van het kind op zijn kop. Jaarlijks verliezen ongeveer 6.000 kinderen één of beide ouders (CBS). Van alle minderjarigen zijn er ongeveer 34.000 waarbij één van de ouders is overleden en 330 waarvan beide ouders zijn overleden.

Daarnaast zijn er ook nog 870 kinderen waarvan één van de ouders is overleden en de andere geen rol speelt in het leven van de kind, bijvoorbeeld omdat de vader of moeder onbekend is. Volgens de wet behoort ook deze groep tot de groep weeskinderen. Vanuit deze opvatting zijn er in Nederland dus ongeveer 1200 weeskinderen.

Inhoud en doel

In deze weeswijzer worden tips en informatie gegeven over het rouwproces van kinderen bij het verlies van de ouder(s). Daarnaast komt aan bod welke vormen van hulp en ondersteuning beschikbaar zijn voor kinderen die één of beide ouders hebben verloren. Extra hulp is met name belangrijk voor kinderen die psychische of psychosociale problemen vertonen na verlies van één of beide ouders. In dat kader wordt tevens verwezen naar de verschillende partijen en instanties die een rol spelen bij het rouwproces en in de ondersteuning in het leven van het kind.

Het doel van de weeswijzer is:

  • Het creëren van een beter begrip voor kinderen bij hun rouwproces
  • Het vergroten van de kennis op het gebied van hulp/ondersteuning voor kinderen die één of beide ouders hebben verloren
  • Het benoemen van instanties die een belangrijke rol kunnen spelen in de professionele hulp van kinderen die één of beide ouders hebben verloren

Het rouwproces

Kinderen rouwen ieder op hun eigen manier. Kinderen kunnen zich dan ook op verschillende manieren uiten gedurende het rouwproces. Het gedrag dat de kinderen vertonen, kan de volgende vormen aannemen:

  • Verdriet (soms zelfs buitensporig veel huilen)
  • Boosheid en onbegrip (soms gepaard met woedeaanvallen)
  • Angst voor de dood (van zichzelf en andere familieleden)
  • Schuldgevoel (op zichzelf en/of de ouder die nog leeft)
  • Jaloezie (op kinderen waarvan de ouders nog beiden leven)

Het rouwproces en het gedrag dat daarbij hoort, is vooral afhankelijk van de levens- en ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt. Het rouwproces in de verschillende levensfases wordt hieronder toegelicht.

Baby’s (0 t/m 2 jaar)

Baby’s en jonge peuters hebben nog geen besef van de dood. Het verlies van één of beide ouders zullen zij echter wel degelijk merken. Ze zullen de aanwezigheid, warmte en aandacht missen. Soms kan de baby of peuter slecht eten en/of slapen als gevolg van het overlijden van de ouder(s). Verder kan het soms langer duren voordat de reactie van de baby merkbaar is.

Voor baby’s is het zeer belangrijk dat er iemand (een voogd) voor ze is die zeer liefdevol is en goed kan zorgen voor het kind. Het voordeel is dat baby’s sneller aan die persoon kunnen wennen dan oudere kinderen.

Peuters en Kleuters (3 t/m 5 jaar)

Peuters en kleuters weten vaak wel het verschil tussen dood en leven. Wat zij echter vaak niet weten is dat de dood onomkeerbaar is en dat iemand die is overleden dus niet meer terugkomt. Vooral als de ouders zeer plotseling verdwijnen zal het kind zich zeer afhankelijk kunnen gaan gedragen en soms zelfs bang worden voor de dood.

Voor deze leeftijdscategorie is het belangrijk dat er duidelijk antwoord wordt gegeven op vragen die het kind heeft, ook al zijn de vragen die gesteld worden misschien raar.

Jonge scholieren (6 t/m 12 jaar)

Naarmate het kind ouder wordt, krijgt hij/zij meer kennis over het verschil tussen leven en dood. Kinderen vanaf het 9e levensjaar begrijpen doorgaans dat de dood een onomkeerbare gebeurtenis is.

Voor deze leeftijdsgroep is aandacht eveneens van groot belang. Daarbij speelt praten een belangrijkere rol dan bij jongere kinderen. Geef het kind de ruimte om zijn/haar gevoelens te uiten en geef duidelijk en volledig antwoord op alle vragen die worden gesteld. Belangrijk kort na het overlijden van de ouder(s): adviseer en overtuig het kind om mee te gaan naar de uitvaart, maar probeer dit niet dwingend te doen.

Pubers (13 t/m 18 jaar)

Het rouwproces van pubers verschilt niet bijster veel met het rouwproces van volwassenen. Dit geldt vooral voor oudere pubers. Het is dan ook belangrijk dat pubers op eenzelfde manier worden benaderd als volwassen bij het rouwproces.

Sommige kinderen houden zich bewust groot of doen stoer om hun verdriet te onderdrukken. Het is dan belangrijk om het kind dan de ruimte te geven om zijn/haar gevoelens te uiten.

Steun voor weeskinderen

Goede ondersteuning van het (half)weeskind bij overlijden van de ouder(s) is cruciaal. Uit onderzoek blijkt dat (half)weeskinderen behoefte hebben aan:

  • Een vertrouwenspersoon die er speciaal voor hen is en steun biedt, bijvoorbeeld op het gebied van de uitvaart, rouwen, wonen, school, vrije tijd, geldzaken en persoonlijke ontwikkeling. De rol van deze persoon kan, afhankelijk van de behoefte van het kind, intensief of beperkt zijn. In elk geval is het belangrijk dat er iemand is die altijd klaar staat en waarbij het kind zich veilig gesteund voelt.
  • Een expert die vanuit het belang van het kind mee kan kijken bij de erfenis en financiële zaken.
  • Een keuze voor een voogd en woonlocatie (dit geldt vooral voor oudere weeskinderen).
  • Steun die doorloopt als het kind volwassen wordt, met name in de periode tussen 18 en 23 jaar oud.

Tips

Kinderen die in rouw zijn, kan men op verschillende manieren ondersteunen in dit proces. Enkele tips:

  • Toon een luisterend oor en begrip voor het kind.
  • Wees transparant: kom afspraken na en laat zien waar je mee bezig bent.
  • Praat met het kind, maar niet perse over het verlies, tenzij het kind dit wenst.
  • Heb geduld en probeer voorzichtig te peilen wanneer het kind eraan toe is om over zijn/haar verlies te praten.
  • Muziek, gedichten, verhalen, foto’s en andere creatieve zaken kunnen soms helpen voor het kind om zich te uiten.
  • Rouwende kinderen dienen niet voorgetrokken te worden en hebben zich te houden aan dezelfde regels als niet-rouwende kinderen.
  • Lees het boek ‘Zo, nu ben je wees’ van Jojanneke van den Bosch. Hierin staan ervaringen en handreikingen voor kinderen die hun ouder(s) zijn verloren. Er komt aan bod in welke situaties het kind terecht kan komen en hoe kinderen zonder ouder(s) opgroeien.
  • Schakel waar nodig extra hulp in.

Sommige dingen kun je beter niet doen:

  • Opdringen van hulp.
  • Geven van ongevraagd advies.
  • Geven van te veel eigen ervaringen/voorbeelden.
  • Geforceerd opvrolijken.
  • Vertellen tegen het kind dat het rouwproces nu voorbij is en hij/zij de draad weer moet oppakken.
  • Rouwende kinderen als ’zielig’ behandelen.
  • Bang zijn om fouten te maken en daarom niets doen.

Professionele hulp

Sommige kinderen ontwikkelen (ernstige) psychische- en psychosociale problemen bij het verlies van één of beide van de ouders. De eerste signalen hiervan zijn als het kind zich langere tijd bedroefd en lusteloos voelt en als hij/zij geen zin meer heeft in de dagelijkse activiteiten (school, spelletjes, sport, etc.). Een ander signaal is dat het kind geen of weinig interesse toont in vrienden of terugvalt in de ontwikkeling. Het kind kan zich dan bijvoorbeeld overdreven kinderachtig gedragen of problemen krijgen in de concentratie op school. Tot slot kan het kind ook te maken krijgen met lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, buikpijn en slapeloosheid.

Aarzel in dit soort situaties niet om professionele hulp in te schakelen. De volgende instanties/partijen kunnen hulp bieden:

  • Rouwbegeleiders, bijvoorbeeld via het Landelijk Steunpunt Rouw
  • In de Wolken (gespecialiseerd in verliessituaties bij kinderen en jongeren)
  • Stichting Achter de Regenboog
  • Jonge Helden
  • De huisarts
  • De school
  • De gemeente
  • Een wijkteam of Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG)
  • Op doorverwijzing: een psycholoog, psychiater of GGZ-instelling

Bronnen

Voor het samenstellen van dit dossier is gebruik gemaakt van informatie van:

  • Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) – Steun voor weeskinderen
  • Uitvaart.nl
  • Stichting kind en rouw

Vond u deze pagina nuttig?